Zoeken

A7June

De Pyjama en de Sneeuwman

Op dagen zoals deze is het gewoon leuk om in je pyjama binnen te zitten. Liefst nog met een warme kop chocolademelk in je handen en een dekentje over je schouders geslagen. En de sneeuw die op het raam voor je blijft liggen. Je neemt langzaam een slokje van de chocolademelk terwijl je je verstopt onder het deken en naar buiten blijft staren. Naar de huizen en de bomen en de winterjassen.

Binnen zitten is makkelijk. Geen dikke pullen aandoen, geen bevroren tenen of vingertoppen. Maar wanneer de middag voorbij is en de avond valt heb je een dag gemist. Een dag van sneeuwmannen en sneeuwbalgevechten. En door de hele dag enkel naar het betoverende landschap te staren, verander je zelf niets aan het uitzicht.

Dus morgen doe je jouw dikste, warmste pul aan. Neem je sjaal en winterjas uit de kast, stap je de sneeuw in met de beste schoenen die je hebt en maak jouw eigen sneeuwman. Wanneer de avond morgen valt, kun je tevreden weer naar binnen gaan, onder je deken kruipen met een warme tas chocomelk in je handen en naar buiten staren. Want in het midden van dat betoverende sneeuwlandschap staat jouw sneeuwman te grijnzen.

 

Advertenties

Tussen de mensen

Zaterdagmiddag, het was iets voor twee. Op een rijtje liepen we een voor een binnen. Eerst mijn moeder, meteen gevolgd door mijn twee zussen en dan volgde er een kleine pauze wanneer mijn vader de deur op zijn beurt openhield. Langs zijn schouder kon ik de drukte al zien. En ik zuchtte, gelijk met mijn vader. ‘Ahpf, het is hier druk’. Onze lippen spraken dezelfde woorden gelijktijdig uit, zuchtten nog eens en dan liepen we de overbevolkte ruimte binnen.

‘Lachen’, dachten we. En dat deden we ook. We splitsten op, hij zocht naar zijn vrouw, ik werd begroet door vrienden. Kennissen is misschien een beter woord. En wanneer we na een half uur plaatsnamen aan onze tafels in een enorme zaal, was ik ervan overtuigd dat thuis blijven een veel beter idee was geweest. Onder een deken, in de zetel, alleen. Maar ik zat aan een enorme tafel, in een enorme zaal, tussen enorm veel mensen.

Zo ging de dag voorbij, tussen mensen die praatten, ik die probeerde mee te praten, eten dat opgediend werd, nog meer eten. Af en toe hoorde ik mijn moeder boven al het lawaai van de zaal uitkomen. En stilaan werd de lucht buiten schemerig, tot dat alles buiten donker was en de lichten binnen aangingen.
Mijn vrienden waren ondertussen een kaartspel begonnen, iemand was met mijn fototoestel aan de haal gegaan en eindelijk werd er voor een laatste keer eten geserveerd. En daarna werd iedereen stil aan onze tafel. Horloges werden bovengehaald en om de beurt vroeg iedereen hoe laat het al was. Een teken voor mijn twee kennissen om de muziek subtiel iets luider te zetten.
Wanneer de wijzers op ieders horloge 10 uur sloegen en de tafels waaraan veel oudere mensen zaten plots leeg waren, gingen ook de lichten zachter schijnen. Mijn camera kwam als vanzelf weer terug naar mij en voor het eerst die dag zuchtte ik niet.

Ik deed me niet meer voor als iemand die niets wist terwijl ik de instellingen van de camera juist zette. Ik was niet meer bang terwijl ik me op de voorgrond begaf. Ik praatte met mensen terwijl ze naar de camera lachten. En ik lachte eindelijk oprecht terug.
Heel soms liet ik de camera liggen om mee te dansen, te lachen, te praten met de mensen om me heen. En terwijl ik stond te dansen zag ik een man die opstond van zijn stoel, naar ons toe liep, naast mijn moeder kwam staan en oprecht lachte terwijl hij tussen de mensen mee begon te dansen. En het verbaasde me.

Want in dat moment was iedereen samen. Niet enkel de mensen die graag dansten, of de mensen die veel te vertellen hadden. Ook de mensen die zich liever thuis onder hun deken verstopten lieten zich in dat ene moment zien aan de anderen. En het was niet eens zo heel erg.
Kennissen dansten met oude vrienden en je had verre neven en verre nichten en buurjongens en buurmeisjes en iedereen kende uiteindelijk iedereen wel van ergens. En iedereen hoorde hierbij.

Het was in dat ene moment op die ene avond op een jaar dat een meisje de magie tussen de mensen eindelijk ontdekte.

Een hond rent op me af. Ik zou bang moeten zijn nu. Een groot harig monster rent wild op me af, maar ik doe niets.

Kwispelend rent ze enthousiast op me af, klaar om naar mijn wang te springen en me likjes te geven. En ik vind dit kleine hyperactieve beestje fantastisch.

Ik snap er niets van. Eigenlijk zijn honden nooit mijn vriendjes geweest. Ze hadden te grote tanden en wie weet wat waren ze daar mee van plan.
Onze buurman had een hond, een Jack Russel. Het was een klein beestje dat uitzonderlijk goed naar zijn baasje luisterde, maar wanneer de lieve kleine Dinkie begon te blaffen liep ik meteen weg van dat beest.

Ik was ervan overtuigd dat ik niet zo goed overweg kon met beestjes en dat die gevoelens wederzijds waren.  Maar 10 jaar na Dinkie leerde ik Ziva kennen.
Ze was een kleine Jack Russel pup die mijn bang hartje gerust stelde. Ze kwam naar mij om kalm naast me te liggen, om bij me inslaap te vallen en om me als kleine pup helemaal te vertrouwen. En toen de pup groter en groter werd, en actiever en speelser en wilder, was ik degene die haar bleef vertrouwen.

Het is een wild, hyperactief beest. Maar zelfs nu dat ze groot is en scherpe tanden heeft, is ze niet dat gevaarlijke monster. Want ik ken Ziva en ik moet toegeven dat we best goed overeenkomen.

Dus elke keer wanneer ze naar me sprint lach ik en omhels ik het kleine mormel, want die likjes zijn best lief bedoelt.

Een ontmoeting

Ontmoetingen zijn moeilijk. Onvoorspelbaar voor beide partijen. Soms is het te kort en overvalt spijt je. Andere keren duurt het dan weer langer dan lief voor je is. Pijnlijk is het in ieder geval. Dacht ik.

Want ontmoetingen mogen dan soms moeilijk en onvoorspelbaar zijn, het kan ook net datgene zijn wat een doodsaaie dag zo verrassend goed maakt. Zo zijn mensen nu eenmaal. En je kunt bang zijn om gekwetst te worden, of erger, mensen te kwetsen. Maar daar heeft niemand iets aan.

Dus wanneer de zon nu ondergaat ben ik niet bang voor het duister. Ik ga op zoek naar de lichtjes van andere mensen. Dapper begeef ik me elke avond opnieuw door de duisternis naar de lichtjes die voor mij het felste schijnen en me het meest verwarmen.
Ergens voelt het best vreemd om me niets aan te trekken van de moeilijke dingen, de dingen die verscholen zitten in de duisternis rondom me en elke ontmoeting pijnlijk maken. Maar wanneer ik dan een lichtje vind dat blijft schijnen voor me en waaraan ik me kan verwarmen, verrast het me keer op keer.

En ik denk dat hoe meer ik door het duister durf te gaan, hoe meer lichtjes ik kan verzamelen. En heel misschien leer ik dan hoe ik ook als een lichtje kan schijnen.

 

 

 

 

 

12 uur is het uur wanneer prachtige koetsen weer pompoenen worden en kleedjes veranderen in versleten dingen. Wanneer de droom over is, hoe kun je dan nog gaan slapen. De hele dag ben je bezig geweest, te druk met dromen waar te maken en yolo, weet je. Maar wanneer middernacht toeslaat en je de weg naar je bed weer moet terugvinden verdwijnt het dromerige ritme. Je ligt in bed en probeert het donker rondom je te negeren. Je zou toch blij moeten zijn met de dag die je net hebt meegemaakt, was er dan zoveel mis gelopen? Nee toch? Hoewel misschien… En zo begint het duister je warme bed in te palmen. Je voelt je lichaam rillen bij elk klein ding dat vandaag mis ging. En de kleine dingen worden groter en groter in de duistere kamer. Zo alleen met al je zorgen.

En net als je denkt dat dromen niet meer gaat omdat pompoenen niets meer dan pompoenen zijn en dromen na middernacht onmogelijk is, vind je opnieuw een lichtje dat van de duisternis weer die gezellige kamer maakt. Want net zoals assepoester haar fee had, zijn er ook bij jou mensen die er altijd zijn. Er is altijd die ene persoon. Een moeder of vader, een zus of broer. Je beste vriend, of vriendin die je via Facebook nog een berichtje stuurt. Iemand die je net hebt ontmoet of iemand waar je alles mee deelt. Maar er is altijd wel iemand zodat je nooit alleen hoeft te staan. Of alleen in bed moet liggen. Degene die je omhelst en warm houdt terwijl de koude van het duister aan je voeten probeert te likken. En zachtjes sluit je je ogen en hoewel het al ver na 12 uur is begin je opnieuw te dromen.

Taart

Een tafel vol desserts, een tafel vol kleine taartjes, 50. Nee, het waren geen 50 kleine taartjes, wel 50 jaar. En het was niet de leeftijd die mijn grootouders hadden, maar hun liefde voor elkaar die op een speciale leeftijd was gekomen. En zoiets was niet enkel speciaal, het was iets unieks, haast gekkenwerk, noem het gerust onmogelijk. Maar hoewel liefde iets onbegrijpelijk en moeilijk lijkt, kent iedereen evenzeer de kracht ervan.

Acht. Geen acht taartjes of een verjaardag. We waren met acht kleinkinderen. En we waren opgegroeid tussen oma en opa hun bloemen en bomen. Achter op een brommer die door de boomgaarden en velden racete en op de oranje bank in de keuken vol desserts. En elk zondagavond taart. Als kind wisten we niet wat er te vieren viel op zondag, maar de taart was altijd lekker. Taart is ons familiegeheim.

Want taart deed ons de zotste verhalen vertellen aan de keukentafel en was het verzoeningsmiddel voor de vele kleine en al even gekke discussies die diezelfde tafel rond gingen. Taart was een veel grotere schat dan we hadden kunnen dromen, waardevoller dan goud. Een schat die met de tijd soms verloren ging. Maar elke keer wanneer we op een doodgewone zondagavond een voor een hun deur openden en bij onze oma en opa in de zetel neerploften, hadden we onze schat gevonden.

Een schat die al 50 jaar oud was, een schat gemaakt van twee gouden harten. Eentje die drie diamanten van kinderen had voortgebracht en acht parels van kleinkinderen. Stralend, samen waren we rijk.

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑